← Terug naar 🔭 overzicht

Krachten

Interactieve cursus Fysica - 3de jaar middelbaar | p. 135-181

1. Inleiding

Wat is een kracht en hoe beschrijven we die?

Wat is een kracht?

Een kracht is een actie van het ene voorwerp op het andere. Je kunt een kracht niet zien, maar je kunt het effect ervan wel waarnemen. Een kracht kan een voorwerp:

De 4 kenmerken van een kracht

Een kracht is een vectoriële grootheid (een vector). Dat betekent dat je 4 dingen moet opgeven om een kracht volledig te beschrijven:

1. Aangrijpingspunt

Het punt waar de kracht inwerkt op het voorwerp.

2. Richting

De rechte waarlangs de kracht werkt (bv. horizontaal, verticaal, schuin).

3. Zin

De kant langs de richtingslijn (bv. naar links of naar rechts, naar boven of naar beneden).

4. Grootte

Hoe sterk de kracht is, uitgedrukt in Newton (N).

Kracht als vector

Symbool vector: F⃗   |   Symbool grootte: F

Eenheid: Newton (N)

Onthoud: Een kracht is altijd een interactie tussen twee voorwerpen. Er is altijd een voorwerp dat de kracht uitoefent en een voorwerp dat de kracht ondergaat. In tekeningen stellen we een kracht voor door een pijl (vector).

Statisch effect

De vorm van het voorwerp verandert. Het voorwerp vervormt.

Voorbeeld: een veer indrukken, klei kneden

Dynamisch effect

De bewegingstoestand van het voorwerp verandert (snelheid, richting).

Voorbeeld: een bal trappen, remmen met de fiets

2. Soorten krachten

Contactkrachten, veldkrachten, vervorming en krachten meten.

Contactkrachten vs. Veldkrachten

Contactkrachten

De twee voorwerpen raken elkaar.

  • Spierkracht
  • Wrijvingskracht
  • Luchtweerstand
  • Normaalkracht
  • Veerkracht

Veldkrachten

De voorwerpen raken elkaar NIET, werken op afstand.

  • Zwaartekracht (gravitatie)
  • Magnetische kracht
  • Elektrische kracht

Plastische vs. Elastische vervorming

Plastische vervorming

Het voorwerp blijft vervormd nadat de kracht verdwijnt.

Voorbeeld: klei kneden, blikje pletten, papier verfrommelen

Elastische vervorming

Het voorwerp keert terug naar zijn oorspronkelijke vorm nadat de kracht verdwijnt.

Voorbeeld: veer uitrekken, trampoline, elastiek

Krachten meten: de dynamometer

Een kracht meten doen we met een dynamometer (ook wel: krachtmeter of veerbalans). Dit is een toestel met een veer waaraan je een voorwerp hangt. Hoe groter de kracht, hoe meer de veer uitrekt.

De schaalverdeling is in Newton (N).

Puntmassa

In de fysica stellen we een voorwerp vaak voor als een puntmassa: een punt zonder afmetingen. Alle krachten grijpen dan aan in dat één punt. Dit vereenvoudigt het tekenen van krachtenschema’s.

Overzicht grootheden

Grootheid Symbool Eenheid Eenheidssymbool
Kracht F Newton N
Zwaartekracht Fz Newton N
Zwaarteveldsterkte g Newton per kilogram N/kg
Massa m kilogram kg
Gewicht FG of G Newton N
Normaalkracht Fn Newton N
Kracht als vectoriële grootheid: We noteren een krachtvector als F⃗ (met pijl). Als we enkel over de grootte spreken schrijven we F (zonder pijl). Let op dit verschil!

3. Krachten samenstellen

Hoe combineer je meerdere krachten tot één resulterende kracht Fr?

Wat is de resulterende kracht?

Als er meerdere krachten op een voorwerp werken, kun je die vervangen door één enkele kracht die hetzelfde effect heeft. Die noemen we de resulterende kracht Fr.

Geval 1: Zelfde richting & zin

Krachten met dezelfde richting en zin

Fr = F1 + F2

De resulterende kracht heeft dezelfde richting en zin als de afzonderlijke krachten.

Geval 2: Zelfde richting, tegengestelde zin

Krachten met dezelfde richting, tegengestelde zin

Fr = Fgrootste − Fkleinste

De resulterende kracht heeft de zin van de grootste kracht.

Geval 3: Verschillende richting

Parallellogrammethode (2 krachten)

Teken de twee krachten vanuit hetzelfde aangrijpingspunt. Maak een parallellogram. De diagonaal vanuit het aangrijpingspunt is de resulterende kracht.

Kop-staartmethode (2 of meer krachten)

Teken de eerste kracht. Teken de tweede kracht met zijn staart aan de kop (punt) van de eerste. De resulterende kracht gaat van de staart van de eerste naar de kop van de laatste.

Interactieve visualisatie: versleep de krachten om de resulterende te zien.

Klik op de knoppen om het geval te wisselen
Geval 1: Twee krachten met dezelfde richting en zin. Fr = F1 + F2

Kop-staartmethode: meerdere krachten

Kop-staartmethode met 3 krachten
Speciaal geval: Bij twee krachten die loodrecht op elkaar staan, gebruik je de stelling van Pythagoras om de grootte van Fr te berekenen: Fr² = F1² + F2²

4. Krachten en bewegingstoestand

Examenstof p. 135-142: Wat is het verband tussen krachten en de beweging van een voorwerp?

Examentip: Dit is kernstof! Je moet het verband tussen krachten en bewegingstoestand perfect begrijpen.

3.1 Rust en beweging: het referentiepunt

Of een voorwerp in rust is of beweegt hangt af van het referentiepunt (vergelijkingspunt).

Voorbeeld: Een treinreiziger zit stil ten opzichte van de trein (= in rust), maar beweegt ten opzichte van het perron (= in beweging). Je moet altijd het referentiepunt vermelden!

3.2 Snelheid verandert NIET

Er zijn twee situaties waarbij de snelheid niet verandert:

Situatie A: Voorwerp in rust (v = 0)

Een voorwerp ligt stil op een tafel. De zwaartekracht Fz trekt het naar beneden, de normaalkracht Fn duwt het naar boven. Deze krachten compenseren elkaar:

Fz = Fn → Fr = 0 N

Voorwerp in rust: krachten in evenwicht

Situatie B: Eenparig rechtlijnige beweging (ERB)

Een voorwerp beweegt met constante snelheid in een rechte lijn. Alle krachten compenseren elkaar:

Fr = 0 N

Geen resulterende kracht nodig om een voorwerp met constante snelheid te laten bewegen!

Voorbeeld: fietser met constante snelheid

Een fietser die met constante snelheid op een vlakke weg rijdt:

Alle krachten compenseren elkaar: Fr = 0 N

Fietser met constante snelheid: alle krachten in evenwicht

Kernregel

Als de snelheid niet verandert (rust óf ERB), dan is de resulterende kracht Fr = 0 N.

Omgekeerd: als Fr = 0 N, dan verandert de snelheid niet.

3.3 Snelheid verandert WEL

Als de resulterende kracht NIET nul is, verandert de snelheid. Er zijn 3 mogelijkheden:

1. Grootte verandert

Versnelling: Fr in de richting van de beweging → snelheid neemt toe.

Vertraging: Fr tegen de richting van de beweging → snelheid neemt af.

2. Zin verandert

Een basketbal stuitert op de grond: de snelheid was naar beneden, na de stuit is die naar boven. Er was een kracht nodig om de zin te veranderen.

3. Richting verandert

Een voorwerp dat een cirkelbaan beschrijft, heeft altijd een centripetale kracht Fcp nodig: gericht naar het middelpunt van de cirkel.

Cirkelbeweging: centripetale kracht naar het middelpunt

Centripetale kracht Fcp

Bij een cirkelbeweging is er altijd een kracht nodig die het voorwerp naar het middelpunt van de cirkel trekt. Die heet de centripetale kracht.

Samenvatting: krachten en beweging

Fr = 0 N → snelheid verandert niet (rust of ERB)

Fr ≠ 0 N → snelheid verandert wel (versnelling, vertraging, richting­verandering)

5. Zwaartekracht

Examenstof p. 143-149: De kracht waarmee een hemellichaam een voorwerp aantrekt.

Examentip: De formule Fz = m · g moet je vlot kunnen toepassen. Ken ook de g-waarden van de planeten!

Universele gravitatiewet (ter info)

Newton ontdekte dat alle massa’s elkaar aantrekken:

FG = G · m1 · m2 / r²

(Dit moet je NIET kennen voor het examen, enkel ter info)

Zwaartekracht: definitie

Zwaartekracht Fz

De zwaartekracht is de kracht waarmee een hemellichaam (aarde, maan, ...) een voorwerp aantrekt.

Zwaartekracht als vectoriële grootheid

KenmerkWaarde
AangrijpingspuntHet zwaartepunt van het voorwerp
RichtingVerticaal
ZinNaar beneden (naar het middelpunt van het hemellichaam)
GrootteFz = m · g

Experimenteel verband: Fz = m · g

Uit experimenten (massa’s aan een dynamometer hangen) blijkt dat de zwaartekracht recht evenredig is met de massa:

Fz = m · g

Fz = zwaartekracht (N)  |  m = massa (kg)  |  g = zwaarteveldsterkte (N/kg)

De constante g noemen we de zwaarteveldsterkte. Op aarde: g = 9,81 N/kg.

Omgevormd: m = Fz / g   en   g = Fz / m

Zwaartekracht op een voorwerp

Zwaarteveldsterkte op verschillende hemellichamen

Hemellichaam g (N/kg)
Mercurius3,70
Venus8,87
Aarde9,81
Mars3,71
Jupiter24,79
Saturnus10,44
Uranus8,87
Neptunus11,15
Maan1,62

Voorbeeldoefening

Voorbeeld: massa van een appel

Gegeven: Een appel heeft een zwaartekracht Fz = 1,47 N op aarde (g = 9,81 N/kg).

Gevraagd: Wat is de massa van de appel?

Oplossing:

m = Fz / g = 1,47 / 9,81 = 0,150 kg = 150 g

Recht evenredig verband: Als de massa verdubbelt, verdubbelt ook de zwaartekracht. De grafiek Fz in functie van m is een rechte door de oorsprong met richtingscoëfficiënt g.

6. Gewicht

Examenstof p. 150-153: Het cruciale verschil tussen massa, zwaartekracht en gewicht.

OPGELET: Dit is een veel voorkomende fout op examens! Massa, zwaartekracht en gewicht zijn NIET hetzelfde, ook al zijn zwaartekracht en gewicht even groot.

Massa

Massa (m)

Gewicht

Gewicht (FG of G)

Het gewicht is de kracht die een voorwerp uitoefent op zijn ondersteuning of ophanging als gevolg van de zwaartekracht.

Het cruciale verschil

Zwaartekracht Fz grijpt aan op het voorwerp zelf (in het zwaartepunt).

Gewicht FG grijpt aan op de ondersteuning (tafel, vloer) of ophanging (touw, haak).

De grootte is hetzelfde, maar het aangrijpingspunt verschilt!

Gewichtsloos

Wanneer is het gewicht 0 N?

Een voorwerp is gewichtsloos als het geen ondersteuning of ophanging heeft.

Let op: de zwaartekracht is er nog wel! De appel valt juist omdát er zwaartekracht is. Maar het gewicht is 0 N want er is geen ondersteuning.

Gewicht als vectoriële grootheid

KenmerkWaarde
AangrijpingspuntHet contactpunt met de ondersteuning of ophanging
RichtingVerticaal
ZinNaar beneden
GrootteFG = Fz = m · g

Formule

FG = Fz = m · g

Vergelijking: Massa vs. Zwaartekracht vs. Gewicht

Eigenschap Massa (m) Zwaartekracht (Fz) Gewicht (FG)
Soort Scalaire grootheid Kracht (vector) Kracht (vector)
Eenheid kg N N
Meetinstrument Balans Dynamometer Dynamometer
Aangrijpingspunt Zwaartepunt voorwerp Ondersteuning/ophanging
Locatie-afhankelijk? Nee, overal gelijk Ja, hangt af van g Ja, hangt af van g

7. Normaalkracht

Examenstof p. 154-155: De reactiekracht op het gewicht.

Wat is de normaalkracht?

Als je een boek op een tafel legt, oefent het boek een kracht uit op de tafel (= het gewicht). De tafel oefent een even grote, maar tegengestelde kracht uit op het boek. Die kracht heet de normaalkracht Fn.

Dit is een voorbeeld van actie-reactie (voorproefje op de 3de wet van Newton).

Krachtenpaar: gewicht & normaalkracht

Het gewicht FG drukt naar beneden op de ondersteuning.

De normaalkracht Fn duwt het voorwerp naar boven.

Fn = FG = Fz = m · g

Normaalkracht als vectoriële grootheid

KenmerkWaarde
AangrijpingspuntHet zwaartepunt van het voorwerp
RichtingLoodrecht op het steunoppervlak
ZinTegengesteld aan het gewicht (weg van het oppervlak)
GrootteFn = FG = m · g (op horizontaal vlak)
Voorwerp op een oppervlak: alle krachten

Vergelijking: Zwaartekracht vs. Gewicht vs. Normaalkracht

Eigenschap Zwaartekracht Fz Gewicht FG Normaalkracht Fn
Werkt in op Het voorwerp (zwaartepunt) De ondersteuning Het voorwerp (zwaartepunt)
Richting Verticaal Verticaal Loodrecht op oppervlak
Zin Naar beneden Naar beneden Naar boven (weg van oppervlak)
Grootte m · g m · g m · g (op horizontaal vlak)
Soort kracht Veldkracht Contactkracht Contactkracht
Uitgeoefend door Hemellichaam (aarde) Voorwerp op ondersteuning Ondersteuning op voorwerp
Onthoud: De normaalkracht staat altijd loodrecht op het oppervlak. Op een horizontaal oppervlak is dat verticaal naar boven. Op een schuin vlak is dat schuin (loodrecht op het schuine vlak)!

8. Veerkracht (F⃗v)

Wat gebeurt er als je een veer indrukt of uitrekt? — De wet van Hooke.

8.1 Kracht op een veer & veerkracht

Als je op een kussen gaat liggen, neemt het kussen de vorm van je lichaam aan. Een elastiek bij een bungeesprong vervormt. Plasticine of kneedpasta kan je tot de gewenste vorm kneden. Wat gebeurt er als de kracht wegvalt?

Elastische vervorming

De vervorming verdwijnt als de kracht wegvalt.

Voorbeeld: kussen, elastiek, veer

Plastische vervorming

De vervorming is permanent (blijvend).

Voorbeeld: plasticine, kneedpasta — of een te ver uitgerokken veer (kapot)

Veerkracht = de kracht die de veer uitoefent op het voorwerp dat de veer doet veranderen van lengte. Het is een contactkracht — en dus de reactiekracht van het gewicht van de massa aan de veer.

8.2 Veerkracht als vectoriële grootheid

KenmerkBeschrijving
AangrijpingspuntContactpunt tussen veer en voorwerp (of zwaartepunt)
RichtingIn dezelfde richting als de richting van de veer
ZinTegengestelde zin als de kracht inwerkend op de veer
GrootteFv = k · Δl (zie Wet van Hooke)

8.3 De wet van Hooke

Een onbelaste veer heeft beginlengte l0. Hang je er een massa aan, dan rekt de veer uit tot l1. De lengteverandering is:

Lengteverandering

Δl = l1 − l0

Δl > 0 bij verlenging  |  Δl < 0 bij verkorting

Wet van Hooke

Fv = k · Δl

Geldig enkel bij elastische vervormingen. Veerkracht en lengteverandering zijn recht evenredig.

Veerconstante k is een eigenschap van de veer — een maat voor de stijfheid (of soepelheid) van de veer.

Eenheid: N/m (Newton per meter)

8.4 Interactief: speel met de veer

Schuif de massa en de veerconstante — zie de veer uitrekken en lees de Fv(Δl)-grafiek af.

GrootheidSymboolEenheidSymbool
VeerkrachtFvnewtonN
LengteveranderingΔlmeterm
Veerconstanteknewton per meterN/m

9. Wrijvingskracht (F⃗w)

Waarom moet je dúwen om een doos te verplaatsen?

9.1 Wat is wrijvingskracht?

Om een slee in beweging te krijgen, oefen je een kracht uit op het touw. Afhankelijk van de ondergrond zal dat beter of minder goed gaan. De tegenwerkende kracht die je moet overwinnen is de wrijvingskracht. Ze ontstaat doordat twee oppervlakken tegen elkaar wrijven.

Statische wrijving

Het voorwerp blijft ter plaatse (in rust). De wrijving werkt tegen je trekkracht in en houdt het voorwerp stationair.

In het 3e jaar beperken we ons tot deze!

Dynamische wrijving

Er is wel beweging. De wrijving werkt tegen de bewegingsrichting in.

9.2 Wrijvingskracht als vectoriële grootheid

KenmerkBeschrijving
AangrijpingspuntZwaartepunt van het voorwerp
RichtingVolgens de richting van de beweging
ZinTegengestelde zin van de beweging
GrootteFw = μ · Fn

9.3 Link met de normaalkracht

Hoe meer gewicht een voorwerp op een oppervlak uitoefent, hoe groter de normaalkracht Fn — en dus hoe groter de kracht die je moet leveren om de wrijving te overwinnen.

Wrijvingskracht

Fw = μ · Fn

Fw en Fn zijn recht evenredig. De constante μ (Griekse letter mu) is de wrijvingscoëfficiënt.

De wrijvingscoëfficiënt μ heeft geen eenheid (een verhouding van N/N). Ze is een eigenschap van beide contactoppervlakken samen: hoe ruwer, hoe groter μ.

9.4 Tabel met wrijvingscoëfficiënten

MaterialenWrijvingscoëfficiënt μ
Rubber op beton0,90
Gewaxte ski op sneeuw0,14
Hout op hout0,42
Rubber op asfalt (droog)0,85
Rubber op asfalt (nat)0,62

9.5 Interactief: trek het blok in beweging

Kies een materiaal, een massa en een trekkracht. Hoe groot moet Ftrek minimum zijn om het blok te laten bewegen?

GrootheidSymboolEenheidSymbool
WrijvingskrachtFwnewtonN
Wrijvingscoëfficiëntμgeengeen

10. Krachten ontbinden in componenten

Eén kracht splitsen in twee deel-krachten om elk effect apart te bekijken.

10.1 Waarom ontbinden?

Stel je voor: een slee glijdt langs een besneeuwde helling. De zwaartekracht trekt verticaal naar beneden — maar je voelt er twee verschillende effecten van:

Effect 1: op de sneeuw blijven

De component loodrecht op de helling drukt de slee tegen de sneeuw.

Effect 2: voortglijden

De component langs de helling versnelt de slee naar beneden.

Kies een assenstelsel: de x-as volgens de bewegingsrichting (= langs de helling), de y-as er loodrecht op. Zo splits je Fz in twee componenten die elk één effect beschrijven.

10.2 Twee manieren

Grafisch (parallellogram)

Teken een rechthoek langs de gekozen assen door de kop van F⃗z. De zijden van de rechthoek zijn F⃗z,// en F⃗z,⊥.

Via berekening (goniometrie)

Bij een helling met hoek θ:

Fz,// = Fz · sin θ (langs helling)

Fz,⊥ = Fz · cos θ (loodrecht op helling)

10.3 Interactief: helling met sleepbare hoek

Schuif de hellingshoek — zie hoe Fz verdeelt over de twee componenten.

10.4 Volledig voorbeeld: glijden met constante snelheid (de examenklassieker)

Let op — dit is HET type oefening waar je punten op verliest. “Een voorwerp glijdt met constante snelheid langs een helling — bereken de wrijvingskracht.” Je moet hier drie dingen aan elkaar knopen: ontbinden + Fr = 0 bij constante snelheid + de normaalkracht op een schuin vlak.

Voorbeeld: skiër op een piste

Een skiër met massa m = 52,0 kg glijdt met constante snelheid van een besneeuwde piste met hellingshoek θ = 25°. Bereken de grootte van de wrijvingskracht die ervoor zorgt dat de skiër niet versnelt.

Stap 1 — Teken & ontbind. De zwaartekracht Fz wijst recht naar beneden. Ontbind ze langs de helling (Fz,//) en loodrecht op de helling (Fz,⊥). De wrijvingskracht Fw wijst langs de helling, naar boven (tegen de beweging in). De normaalkracht Fn staat loodrecht op de helling.

Stap 2 — Bereken de zwaartekracht.

Fz = m · g = 52,0 · 9,81 = 510,12 N

Stap 3 — Ontbind in componenten.

Fz,// = Fz · sin θ = 510,12 · sin(25°) = 510,12 · 0,4226 = 215,6 N  (langs de helling, doet glijden)

Fz,⊥ = Fz · cos θ = 510,12 · cos(25°) = 510,12 · 0,9063 = 462,3 N  (drukt op de helling)

Stap 4 — Gebruik “constante snelheid”. Constante snelheid → Fr = 0 N. Langs de helling moeten Fw en Fz,// elkaar dus compenseren:

Fw = Fz,// = Fz · sin θ = 215,6 N

Loodrecht op de helling: Fn = Fz,⊥ = Fz · cos θ = 462,3 N

Besluit: de wrijvingskracht is Fw ≈ 216 N. Merk op: je had geen μ nodig — de constante snelheid gaf je het antwoord rechtstreeks.

✗ De fout op de toets

Op een helling is Fn ≠ m · g! Wie Fn = m · g neemt en dan Fw = μ · Fn gebruikt, behandelt de helling als een vlakke vloer. Op een schuin vlak geldt Fn = Fz · cos θ.

✓ De juiste reflex

Lees je “constante snelheid” (of “niet versnellen”, “eenparig”)? Dan is Fr = 0. Langs de helling: Fw = Fz,// = Fz · sin θ. De component die je net berekende is het antwoord.

Word je wel naar μ gevraagd? Combineer dan de twee componenten: μ = Fw / Fn = Fz,// / Fz,⊥ = (Fz · sin θ) / (Fz · cos θ) = tan θ. Voor de skiër: μ = tan(25°) = 0,47. (Dus μ = tan θ, niet sin θ!)

11. Krachtmoment (M)

Het draaiend effect van een kracht — en waarom een lange koevoet zo handig is.

11.1 Kracht & rotatie

Een kracht kan een voorwerp ook laten draaien rond een vast punt: het draaipunt (symbool S). Denk aan een deurklink, een sleutel, een schroevendraaier, een wip, een koevoet…

Hoe sterk een kracht doet draaien hangt van twee dingen af:

11.2 De definitie van het krachtmoment

Krachtmoment

M = F · d

Geldig als de kracht loodrecht op de richting van de krachtarm staat. Eenheid: N·m (Newton-meter).

Tegenwijzerzin (+)

Een kracht die het voorwerp tegen de wijzers van de klok in laat draaien rekenen we positief.

Wijzerzin (−)

Een kracht die het voorwerp met de wijzers van de klok mee laat draaien rekenen we negatief.

11.3 Het hefboomeffect

Met dezelfde kracht F kan je een groter krachtmoment krijgen door de krachtarm te vergroten. Daarom werk je met een lange koevoet om een steen op te tillen — de langere arm geeft je een hefboomeffect, en je hebt minder kracht nodig.

11.4 De momentwet (evenwicht)

Momentwet

Een voorwerp is in evenwicht rond een draaipunt als:

Σ Mtegenwijzer = Σ Mwijzer

De som van alle momenten in tegenwijzerzin is gelijk aan de som in wijzerzin.

11.5 Interactief: hefboom in evenwicht

Sleep de massa's links en rechts — krijg je de hefboom in evenwicht?

GrootheidSymboolEenheidSymbool
KrachtmomentMnewton-meterN·m
Krachtarmdmeterm

Oefeningen: Krachten

Test je kennis! Alle oefeningen uit het handboek als interactieve quiz.

0 / 16 beantwoord

Spiekbriefje & drills — printbaar

De belangrijkste formules voor Fv, Fw, ontbinden & krachtmoment + de 4 grootste examen-instinkers. En een aparte eenheden-drill om cm↔m, N/cm↔N/m en N·m vs N/m er helemaal in te krijgen. Print en leg naast je rekenmachine.

📋 Formuleblad (1 A4)

Alle formules per topic in kleurcode, met eenheden en instinkers.

PDF (1 pagina) — printbaar A4

🔢 Eenheden-drill

~20 snelle omrekeningen (cm↔m, N/cm↔N/m, g↔kg) + “welke eenheid?” — met antwoordsleutel.

PDF (2 pagina's) — printbaar A4

Proefexamen (p156-181)

Print de PDF's hieronder, en laat je dochter zelfstandig werken (50 min). Het oplossingenblad voor de ouder bevat de volledige uitwerking + socratische hulpvragen om bij te sturen zonder het antwoord weg te geven.

📝 Proefexamen voor de leerling

10 vragen · 40 punten · 50 min
Schrijfruimte per vraag in Gegeven/Oplossing-stijl, antwoord-lijn.

PDF (5 pagina's) — printbaar A4

👨‍👧 Oplossingenblad voor de ouder

Score-overzicht, volledige uitwerking per vraag, socratische hulpvragen + veelgemaakte fouten.

PDF (6 pagina's) — print enkel als je hulp nodig hebt

Extra proefexamen: Helling & Eenheden (bijsturing)

Gericht op de zwakke plekken van de vorige toets. Dit korte proefexamen (8 vragen, 30 ptn, 50 min) drilt precies waar de meeste punten verloren gingen: een krachtenschema tekenen + ontbinden op een helling, het type “glijdt met constante snelheid → bereken Fw, eenheden omrekenen (incl. N/cm) en de definities/eenhedentabel waarmee de echte toets opende.

📝 Proefexamen voor de leerling

8 vragen · 30 punten · 50 min
Theorie + helling + eenheden, met schrijfruimte per vraag.

PDF — printbaar A4

👨‍👧 Oplossingenblad voor de ouder

Volledige uitwerking, socratische hulpvragen en instinkers die verwijzen naar de echte toetsfouten.

PDF — print enkel als je hulp nodig hebt

Overzichtstabel grootheden & eenheden

Grootheid Symbool Eenheid Symbool
KrachtFNewtonN
ZwaartekrachtFzNewtonN
ZwaarteveldsterktegNewton per kilogramN/kg
Massamkilogramkg
GewichtFG of GNewtonN
NormaalkrachtFnNewtonN
VeerkrachtFvNewtonN
LengteveranderingΔlmeterm
VeerconstantekNewton per meterN/m
WrijvingskrachtFwNewtonN
Wrijvingscoëfficiëntμgeen
KrachtmomentMNewton-meterN·m
Krachtarmdmeterm
Gemaakt met zorg voor Nore's fysica-studie