Interactieve cursus Geschiedenis - 3de jaar middelbaar | Storia HD - Hoofdstuk A
Wat is geschiedenis en wat betekent het om historisch te denken?
Geschiedenis is een wetenschap die het verleden bestudeert. Het gaat niet alleen om het kennen van feiten en gebeurtenissen, maar ook om het begrijpen en verklaren ervan.
Historisch denken betekent: vragen stellen, situeren in tijd en ruimte, werken met bronnen, een beeld vormen van het verleden, en nadenken over het verband tussen verleden, heden en toekomst.
Niet elke vraag over het verleden is dezelfde soort vraag. We onderscheiden vier types:
Vragen die rechtstreeks gaan over wat er in het verleden is gebeurd.
Bv. Waarom bouwden de Egyptenaren piramides?
Vragen die een verband leggen tussen iets van vroeger en iets van nu.
Bv. Wat is het verschil tussen de Atheense democratie en onze hedendaagse democratie?
Vragen over de manier waarop we informatie over het verleden verzamelen.
Bv. Hoe weten we hoe de neanderthaler eruitzag?
Vragen over hoe bepaalde beelden van het verleden zijn ontstaan en of ze kloppen.
Bv. Welk beeld schetste Caesar over de Belgae en klopt dat beeld wel?
Oriënteren in tijd, ruimte en maatschappelijke domeinen.
Om gebeurtenissen te plaatsen in de tijd gebruiken we eenheden:
Onze tijdrekening is gebaseerd op de christelijke tijdrekening: de geboorte van Christus wordt beschouwd als jaar 1. Alles daarvoor is “voor Christus” (v.Chr.), alles daarna “na Christus” (n.Chr.).
Van het ontstaan van de mens tot de uitvinding van het schrift (± 3500 v.Chr.)
± 3500 v.Chr. – 332 v.Chr.
± 800 v.Chr. – 476 n.Chr. (val van het West-Romeinse Rijk)
476 – 1492 (ontdekking van Amerika)
1492 – 1789 (Franse Revolutie)
1789 – 1945 (einde Tweede Wereldoorlog)
1945 – heden
Naast tijd moeten we gebeurtenissen ook situeren in de ruimte. We gaan van groot naar klein:
Bv. Europa, Afrika, Azië
Bv. West-Europa, Mesopotamië
Bv. België, Frankrijk, Egypte
Bv. Vlaanderen, Brussel, Athene
Om de samenleving te bestuderen verdelen historici die in vier domeinen:
Alles over bestuur en macht: wie regeert, welke wetten gelden, oorlogen, diplomatie, grenzen.
Alles over produceren, verdelen en consumeren: handel, landbouw, industrie, geld, welvaart.
Alles over samenleven: sociale klassen, gezin, rechten, ongelijkheid, gezondheid, onderwijs.
Alles over denken, geloven en creëren: religie, kunst, wetenschap, taal, gewoonten, normen en waarden.
Om historische feiten met elkaar te verbinden, gebruiken we structuurbegrippen:
Iets blijft bestaan of verandert nauwelijks doorheen de tijd.
Bv. Het gebruik van brood als basisvoedsel bestaat al duizenden jaren.
Er vindt een duidelijke verandering plaats; iets stopt of verandert sterk.
Bv. De val van het Romeinse Rijk betekende een breuk in de politieke organisatie.
Een geleidelijke verandering over langere tijd.
Bv. De geleidelijke overgang van jagen en verzamelen naar landbouw.
Een gebeurtenis (oorzaak) leidt tot een andere gebeurtenis (gevolg).
Bv. De uitvinding van de boekdrukkunst (oorzaak) leidde tot verspreiding van kennis (gevolg).
Primaire en secundaire bronnen, context en kritische vragen.
Gemaakt door iemand die rechtstreeks betrokken was bij de gebeurtenis — een ooggetuige of deelnemer.
Gemaakt door iemand die niet rechtstreeks betrokken is, vaak in een andere tijd.
Om een bron goed te begrijpen, moet je de context onderzoeken. Stel jezelf deze vragen:
Waar is de bron gemaakt?
Wanneer is de bron gemaakt?
Waarom is de bron gemaakt? Met welk doel?
Hoe is de bron gemaakt? Met welke techniek of methode?
Is de bron nuttig om mijn historische vraag te beantwoorden? Bevat ze relevante informatie?
Kunnen we de informatie in de bron vertrouwen? Is de maker eerlijk? Overdrijft of liegt de maker?
De maker van een bron is altijd beïnvloed door zijn/haar eigen achtergrond: leeftijd, geslacht, woonplaats, afkomst, overtuigingen, tijdperk...
Is de bron typisch voor haar tijd? Of is het een uitzondering? Geeft de bron een goed beeld van wat de meeste mensen dachten of deden?
Elke maker van een bron bekijkt de wereld vanuit zijn eigen “standplaats”. Zijn leeftijd, geslacht, woonplaats, afkomst, religie, politieke overtuiging en persoonlijke ervaringen bepalen mee wat hij schrijft en hoe hij het beschrijft.
Van bronnen naar een reconstructie van het verleden.
Een historisch beeld of historische reconstructie is een voorstelling van het verleden die we opbouwen op basis van bronnen. Omdat we nooit “erbij waren”, is elk historisch beeld altijd een benadering van de werkelijkheid — nooit de volledige waarheid.
Om tot een nauwkeuriger beeld te komen, vergelijken historici meerdere bronnen met elkaar. Door te kijken naar overeenkomsten en verschillen tussen bronnen, kun je:
Bij het opbouwen van een historisch beeld gebruik je structuurbegrippen om feiten met elkaar in verband te brengen:
Hoe is iets geleidelijk veranderd doorheen de tijd?
Welke gebeurtenis leidde tot welke andere gebeurtenis?
Wat bleef hetzelfde ondanks de tijd die verstreek?
Wat veranderde er plots of ingrijpend?
De historicus is ook standplaatsgebonden.
Niet alleen de makers van bronnen zijn standplaatsgebonden — ook de historicus zelf is dat. De manier waarop een historicus het verleden bestudeert en beschrijft, wordt beïnvloed door:
Historische beelden worden altijd beïnvloed door de eigen achtergrond, ideeën en interesses van de historicus. Daarom kan het beeld van eenzelfde gebeurtenis doorheen de tijd veranderen.
Een historicus in de 19de eeuw beschreef de kolonisatie van Afrika vaak als “beschaving brengen”. Vandaag bekijken we datzelfde verleden veel kritischer en benadrukken we de uitbuiting en het onrecht.
Het verleden verandert niet, maar ons beeld van het verleden verandert wel. Nieuwe generaties stellen andere vragen en bekijken dezelfde feiten vanuit een ander perspectief.
Overzicht van de leerdoelen voor dit hoofdstuk.
Dit moet je kunnen uitleggen en opnoemen.
Dit moet je kunnen toepassen.