← Terug naar 🏰 overzicht

Over oude en nieuwe dingen

Interactieve cursus Geschiedenis - 3de jaar middelbaar | Storia HD - Hoofdstuk A

1. Historische vragen stellen

Wat is geschiedenis en wat betekent het om historisch te denken?

Wat is geschiedenis?

Geschiedenis is een wetenschap die het verleden bestudeert. Het gaat niet alleen om het kennen van feiten en gebeurtenissen, maar ook om het begrijpen en verklaren ervan.

Historisch denken

Historisch denken betekent: vragen stellen, situeren in tijd en ruimte, werken met bronnen, een beeld vormen van het verleden, en nadenken over het verband tussen verleden, heden en toekomst.

4 types historische vragen

Niet elke vraag over het verleden is dezelfde soort vraag. We onderscheiden vier types:

A. Vragen over het verleden

Vragen die rechtstreeks gaan over wat er in het verleden is gebeurd.

Bv. Waarom bouwden de Egyptenaren piramides?

B. Vragen over de relatie heden-verleden

Vragen die een verband leggen tussen iets van vroeger en iets van nu.

Bv. Wat is het verschil tussen de Atheense democratie en onze hedendaagse democratie?

C. Vragen over hoe we tot kennis komen

Vragen over de manier waarop we informatie over het verleden verzamelen.

Bv. Hoe weten we hoe de neanderthaler eruitzag?

D. Vragen over het beeld dat we hebben

Vragen over hoe bepaalde beelden van het verleden zijn ontstaan en of ze kloppen.

Bv. Welk beeld schetste Caesar over de Belgae en klopt dat beeld wel?

Onthoud: Een historische vraag is niet zomaar een vraag “over vroeger”. Het is een vraag die je aanzet om bronnen te onderzoeken, te vergelijken en kritisch na te denken over het verleden.

2. Het historisch referentiekader

Oriënteren in tijd, ruimte en maatschappelijke domeinen.

Oriënteren in de tijd

Om gebeurtenissen te plaatsen in de tijd gebruiken we eenheden:

Onze tijdrekening is gebaseerd op de christelijke tijdrekening: de geboorte van Christus wordt beschouwd als jaar 1. Alles daarvoor is “voor Christus” (v.Chr.), alles daarna “na Christus” (n.Chr.).

De 7 periodes van de geschiedenis

1. Prehistorie

Van het ontstaan van de mens tot de uitvinding van het schrift (± 3500 v.Chr.)

2. Oude Nabije Oosten

± 3500 v.Chr. – 332 v.Chr.

3. Klassieke Oudheid

± 800 v.Chr. – 476 n.Chr. (val van het West-Romeinse Rijk)

4. Middeleeuwen

476 – 1492 (ontdekking van Amerika)

5. Vroegmoderne Tijd

1492 – 1789 (Franse Revolutie)

6. Moderne Tijd

1789 – 1945 (einde Tweede Wereldoorlog)

7. Hedendaagse Tijd

1945 – heden

Oriënteren in de ruimte

Naast tijd moeten we gebeurtenissen ook situeren in de ruimte. We gaan van groot naar klein:

Werelddeel

Bv. Europa, Afrika, Azië

Gebied

Bv. West-Europa, Mesopotamië

Land

Bv. België, Frankrijk, Egypte

Streek / Stad

Bv. Vlaanderen, Brussel, Athene

De 4 maatschappelijke domeinen

Om de samenleving te bestuderen verdelen historici die in vier domeinen:

Politiek

Alles over bestuur en macht: wie regeert, welke wetten gelden, oorlogen, diplomatie, grenzen.

Economisch

Alles over produceren, verdelen en consumeren: handel, landbouw, industrie, geld, welvaart.

Sociaal

Alles over samenleven: sociale klassen, gezin, rechten, ongelijkheid, gezondheid, onderwijs.

Cultureel

Alles over denken, geloven en creëren: religie, kunst, wetenschap, taal, gewoonten, normen en waarden.

Structuurbegrippen

Om historische feiten met elkaar te verbinden, gebruiken we structuurbegrippen:

Continuïteit

Iets blijft bestaan of verandert nauwelijks doorheen de tijd.

Bv. Het gebruik van brood als basisvoedsel bestaat al duizenden jaren.

Breuk / Verandering

Er vindt een duidelijke verandering plaats; iets stopt of verandert sterk.

Bv. De val van het Romeinse Rijk betekende een breuk in de politieke organisatie.

Evolutie

Een geleidelijke verandering over langere tijd.

Bv. De geleidelijke overgang van jagen en verzamelen naar landbouw.

Oorzaak & Gevolg

Een gebeurtenis (oorzaak) leidt tot een andere gebeurtenis (gevolg).

Bv. De uitvinding van de boekdrukkunst (oorzaak) leidde tot verspreiding van kennis (gevolg).

3. Bronnen kritisch bestuderen

Primaire en secundaire bronnen, context en kritische vragen.

Soorten bronnen

Primaire bronnen

Gemaakt door iemand die rechtstreeks betrokken was bij de gebeurtenis — een ooggetuige of deelnemer.

  • Dagboeken
  • Brieven uit die tijd
  • Officiële documenten
  • Archeologische vondsten
  • Foto’s of filmbeelden

Secundaire bronnen

Gemaakt door iemand die niet rechtstreeks betrokken is, vaak in een andere tijd.

  • Geschiedenisboeken
  • Documentaires
  • Encyclopedieën
  • Artikels van historici
  • Reconstructietekeningen

De context van een bron

Om een bron goed te begrijpen, moet je de context onderzoeken. Stel jezelf deze vragen:

Waar?

Waar is de bron gemaakt?

Wanneer?

Wanneer is de bron gemaakt?

Waarom?

Waarom is de bron gemaakt? Met welk doel?

Hoe?

Hoe is de bron gemaakt? Met welke techniek of methode?

Kritische vragen bij bronnen

Bruikbaarheid

Is de bron nuttig om mijn historische vraag te beantwoorden? Bevat ze relevante informatie?

Betrouwbaarheid

Kunnen we de informatie in de bron vertrouwen? Is de maker eerlijk? Overdrijft of liegt de maker?

Standplaatsgebondenheid

De maker van een bron is altijd beïnvloed door zijn/haar eigen achtergrond: leeftijd, geslacht, woonplaats, afkomst, overtuigingen, tijdperk...

Representativiteit

Is de bron typisch voor haar tijd? Of is het een uitzondering? Geeft de bron een goed beeld van wat de meeste mensen dachten of deden?

Standplaatsgebondenheid

Elke maker van een bron bekijkt de wereld vanuit zijn eigen “standplaats”. Zijn leeftijd, geslacht, woonplaats, afkomst, religie, politieke overtuiging en persoonlijke ervaringen bepalen mee wat hij schrijft en hoe hij het beschrijft.

Tip: Vergelijk altijd meerdere bronnen met elkaar! Eén enkele bron geeft vaak een eenzijdig beeld. Door bronnen te vergelijken, kun je een betrouwbaarder en vollediger beeld van het verleden opbouwen.

4. Een historisch beeld vormen

Van bronnen naar een reconstructie van het verleden.

Historische reconstructie

Een historisch beeld of historische reconstructie is een voorstelling van het verleden die we opbouwen op basis van bronnen. Omdat we nooit “erbij waren”, is elk historisch beeld altijd een benadering van de werkelijkheid — nooit de volledige waarheid.

Bronnen vergelijken

Om tot een nauwkeuriger beeld te komen, vergelijken historici meerdere bronnen met elkaar. Door te kijken naar overeenkomsten en verschillen tussen bronnen, kun je:

Structuurbegrippen om feiten te verbinden

Bij het opbouwen van een historisch beeld gebruik je structuurbegrippen om feiten met elkaar in verband te brengen:

Evolutie

Hoe is iets geleidelijk veranderd doorheen de tijd?

Oorzaak & Gevolg

Welke gebeurtenis leidde tot welke andere gebeurtenis?

Continuïteit

Wat bleef hetzelfde ondanks de tijd die verstreek?

Verandering / Breuk

Wat veranderde er plots of ingrijpend?

Belangrijk: Een historisch beeld is altijd onvolledig en voorlopig. Nieuwe bronnen of nieuwe inzichten kunnen ons beeld van het verleden wijzigen. Geschiedenis is daarom een levende wetenschap!

5. Verband verleden, heden en toekomst

De historicus is ook standplaatsgebonden.

Perspectief van de historicus

Niet alleen de makers van bronnen zijn standplaatsgebonden — ook de historicus zelf is dat. De manier waarop een historicus het verleden bestudeert en beschrijft, wordt beïnvloed door:

Standplaatsgebondenheid van de historicus

Historische beelden worden altijd beïnvloed door de eigen achtergrond, ideeën en interesses van de historicus. Daarom kan het beeld van eenzelfde gebeurtenis doorheen de tijd veranderen.

Voorbeeld: het verleden bekijken

Een historicus in de 19de eeuw beschreef de kolonisatie van Afrika vaak als “beschaving brengen”. Vandaag bekijken we datzelfde verleden veel kritischer en benadrukken we de uitbuiting en het onrecht.

Wat leert ons dit?

Het verleden verandert niet, maar ons beeld van het verleden verandert wel. Nieuwe generaties stellen andere vragen en bekijken dezelfde feiten vanuit een ander perspectief.

Besluit: Verleden, heden en toekomst zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. We bestuderen het verleden vanuit het heden, en wat we uit het verleden leren, helpt ons om keuzes te maken voor de toekomst.

Wat moet je kennen & kunnen?

Overzicht van de leerdoelen voor dit hoofdstuk.

KENNEN

Dit moet je kunnen uitleggen en opnoemen.

  1. Het begrip ‘standplaatsgebondenheid’ uitleggen.
  2. De zeven tijden met hun begin- en eindjaar in chronologische volgorde opnoemen.
  3. De vier verschillende maatschappelijke domeinen opnoemen en uitleggen.
  4. Aantonen dat er verschil is tussen ruimten (plaatsen).
  5. Het onderscheid tussen primaire en secundaire bronnen uitleggen.
  6. Aantonen dat men afhankelijk is van bronnen om een historische vraag te kunnen beantwoorden.
  7. Uitleggen wat er onder een historisch beeld verstaan wordt.

KUNNEN

Dit moet je kunnen toepassen.

  1. Een historische vraag herkennen.
  2. Een bron of gebeurtenis in de juiste tijd situeren.
  3. Structuurbegrippen herkennen.
  4. Een kaart bestuderen en ontcijferen.
  5. De context van een bron onderzoeken op vlak van bruikbaarheid, betrouwbaarheid en representativiteit.
  6. Bronnen met elkaar vergelijken.
  7. Een historisch beeld analyseren en beoordelen.
  8. Een historische vraag uitleggen.
Studietip: Oefen door telkens de vier types historische vragen te herkennen, bronnen te vergelijken en structuurbegrippen (continuïteit, breuk, evolutie, oorzaak-gevolg) toe te passen op voorbeelden uit je cursus.