Interactieve cursus Geschiedenis - 3de jaar middelbaar
Na de val van het Romeinse Rijk: zelfvoorziening en lage opbrengsten
Na de val van het Romeinse Rijk stortte het handelsnetwerk in. Er was weinig handel en de meeste mensen leefden zelfvoorzienend: ze produceerden zelf wat ze nodig hadden.
De overgrote meerderheid van de bevolking leefde van de landbouw. Het was een agrarische samenleving waarin bijna iedereen op het platteland woonde en werkte.
Het akkerland werd verdeeld in 3 stukken. Elk jaar werd één stuk braak gelaten (niet bebouwd) zodat de grond kon herstellen.
Jaar 1: wintergraan — zomergraan — braak
Jaar 2: braak — wintergraan — zomergraan
Jaar 3: zomergraan — braak — wintergraan
Het Romeinse handelsnetwerk was verdwenen. Mensen waren aangewezen op wat ze zelf konden produceren.
Elke gemeenschap probeerde zelf in al haar behoeften te voorzien: voedsel, kleding, gereedschap.
Primitieve technieken en uitgeputte grond zorgden voor lage oogsten. Hongersnood was een constante dreiging.
Vanaf de 10e eeuw: meer mensen, meer landbouwgrond nodig
Vanaf de 10e eeuw begon de bevolking te groeien. Meer mensen betekende meer monden om te voeden, en dus was er meer landbouwgrond nodig. Mensen begonnen daarom nieuwe gebieden te ontginnen.
Bossen werden gekapt om plaats te maken voor akkerland. Dit was de meest voorkomende vorm van ontginning.
Moerassen werden gedraineerd door sloten en grachten te graven, zodat het land bruikbaar werd voor landbouw.
Polders werden aangelegd aan de kust door dijken te bouwen en het water weg te pompen.
Naast ontginningen trokken veel mensen ook naar het oosten, naar Germaanse gebieden, om daar nieuwe nederzettingen te stichten en land te bewerken. Dit noemen we kolonisatie.
Bevolkingsgroei — meer mensen = meer voedsel nodig
Betere technieken — nieuwe landbouwtechnieken maakten ontginning mogelijk
Klimaatverbetering — warmer klimaat zorgde voor betere oogsten
Innovaties die de landbouwproductie sterk verhoogden
De karploeg kon dieper ploegen dan de oude schuifploeg. Hierdoor werd de grond beter omgewoeld en waren de opbrengsten hoger.
Een betere aanspanning voor paarden. Het haam verdeelde de kracht beter over het lichaam van het paard, waardoor het meer trekkracht kon leveren.
Het drieslagstelsel was efficiënter dan het oude tweeslagstelsel. Slechts één derde in plaats van de helft van het land lag braak.
Werktuigen van ijzer waren sterker en duurzamer dan houten werktuigen. Ze maakten het werk efficiënter.
Watermolens leverden energie voor het malen van graan, het vollen van lakens en andere taken. Een enorme besparing op mankracht.
Ploegt ondiep. De grond wordt alleen oppervlakkig opengescheurd.
Minder geschikt voor zware kleigrond
Ploegt diep en keert de aarde om. De grond wordt veel beter bewerkt.
Ideaal voor zware kleigrond in Noord-Europa
Landbouwoverschotten als motor van de handelsherleving
Dankzij de verbeterde landbouwtechnieken ontstonden er landbouwoverschotten: boeren produceerden meer dan ze zelf nodig hadden. Deze overschotten konden verhandeld worden, wat leidde tot een herleving van de handel.
Oude handelsroutes werden opnieuw in gebruik genomen. Er ontstond een netwerk van regionale markten bij abdijen, kloosters en burchten waar producten werden uitgewisseld.
Bij abdijen, kloosters en burchten ontstonden markten waar boeren en ambachtslui hun producten konden verhandelen.
Rivieren waren de belangrijkste transportwegen. Goederen werden per boot vervoerd, wat goedkoper en sneller was dan over land.
Steden groeiden bij rivieren en kruispunten van handelsroutes. Daar kwamen handelaars samen om goederen uit te wisselen.
De Champagnestreek als kruispunt van Europa
In de Champagnestreek (Frankrijk) ontstonden grote jaarmarkten. De Champagne lag op het kruispunt van handelsroutes tussen Italië en Vlaanderen, waardoor het een ideale ontmoetingsplaats was voor handelaars uit heel Europa.
Brachten wol en laken mee vanuit het noorden. Vlaamse steden waren beroemd om hun textielproductie.
Brachten specerijen, zijde en andere luxeproducten mee vanuit het zuiden en het Oosten.
Vlaamse handelaars werkten samen in de Hanze van de XVII steden: een verbond van Vlaamse handelssteden die gezamenlijk naar de Champagne-jaarmarkten trokken voor betere bescherming en betere handelsvoorwaarden.
Via de handelsroutes kwamen producten uit het verre Oosten naar Europa:
Lange reizen over land en zee brachten veel gevaren met zich mee: piraten, rovers, stormen.
Het transport over grote afstanden was kostbaar. Tolheffingen en beschermingsgeld maakten producten nog duurder.
Wegen waren slecht onderhouden en onveilig. Roversbendes vormden een voortdurende bedreiging.
Nieuwe zeeroutes — rechtstreeks handelsverkeer over zee maakte de landroute overbodig
Onveiligheid — oorlogen en roversbendes maakten de reizen te gevaarlijk
Belastingen — steeds hogere tolheffingen maakten de jaarmarkten minder rendabel
De pest verwoest Europa: 30-50% van de bevolking sterft
De pestbacterie kwam uit Azië en verspreidde zich via handelsroutes naar Europa. In 1347 bereikte de pest Europa via Sicilië. Tegen 1349 had de ziekte onze streken bereikt.
30-50% van de bevolking van West-Europa stierf
Dat is ongeveer 40 miljoen doden
Groepen mensen die zichzelf kastijdden (zelfkastijding) als boetedoening. Ze geloofden dat de pest een straf van God was.
Joden werden vals beschuldigd van het vergiftigen van waterbronnen. Dit leidde tot gewelddadige vervolgingen en pogroms.
Artsen droegen maskers met een snavel gevuld met kruiden. Ze geloofden dat de pest via slechte lucht verspreidde (miasmatheorie).
In 1377 voerde Venetië (via de haven van Ragusa, het huidige Dubrovnik) het eerste quarantainesysteem in. Schepen moesten 40 dagen in isolatie wachten voor ze de haven mochten binnenvaren.
Het woord 'quarantaine' komt van het Italiaanse 'quarantena', wat veertig betekent — verwijzend naar de 40 dagen isolatie.
Oorsprong: Azië
1347: Sicilië (eerste besmetting Europa)
1349: Onze streken
1377: Venetië / Ragusa
40 dagen verplichte isolatie
Woord: quarantena = veertig
Wat je moet kennen voor de toets
Weinig handel, zelfvoorzienend, lage opbrengsten, regelmatig hongersnood.
Bevolkingsgroei → meer landbouwgrond nodig. Drie soorten: bosontginning, drooglegging, indijking.
Oorzaak: bevolkingsgroei. Gevolg: nieuwe nederzettingen in Germaanse gebieden.
Karploeg, haam, drieslagstelsel, ijzeren werktuigen, watermolens.
Landbouwoverschotten → handel mogelijk. Regionale markten, rivieren als verkeersaders.
Kruispunt Italië ↔ Vlaanderen. Vlaamse wol/laken ontmoet Italiaanse specerijen/zijde.
Gevaarlijk, duur, onveilige wegen.
Nieuwe zeeroutes, onveiligheid, belastingen.
Vaardigheden die je moet beheersen
Verschillende historische bronnen met elkaar vergelijken: wat zegt bron A vs. bron B? Waar zijn ze het eens, waar niet?
Landbouwtechnieken en -opbrengsten vergelijken over drie periodes:
Verbanden leggen tussen middeleeuwse situaties en hedendaagse parallellen. Wat is er veranderd? Wat is hetzelfde gebleven?