โ† Terug naar ๐Ÿ“ overzicht

Functies

Alles over verbanden, functies en hun kenmerken — helder uitgelegd, stap voor stap

1

Verbanden tussen grootheden

Hoe hangen dingen samen?

Wat is een grootheid?

Een grootheid is een kenmerk waarvan je de waarde kunt bepalen door te meten of te tellen. Een eenheid is de maat waarin je die grootheid uitdrukt.

Voorbeeld

De lengte van een ribbe is 2 centimeter.
Hier is "lengte" de grootheid en "centimeter" de eenheid.

Onafhankelijke & afhankelijke variabele

Definitie

Onafhankelijke variabele = de variabele waarvoor jij de waarde kiest.
Afhankelijke variabele = de variabele waarvan de waarde volgt uit (berekend wordt met) de onafhankelijke variabele.

💡
In een grafiek staat de onafhankelijke variabele op de x-as en de afhankelijke op de y-as. In een tabel is de eerste rij/kolom de onafhankelijke variabele.
Voorbeeld

"De snelheid waarmee tomaten groeien hangt af van het type licht."

OnafhankelijkAfhankelijk
Tomaten & lichtType lichtSnelheid groei
Bloedsuiker & frisdrankAantal frisdrankenBloedsuikerspiegel
Nachtrust & telefoonTelefoongebruikKwaliteit nachtrust

Vier voorstellingswijzen van een verband

1. Met woorden

"Als de ribbe langer wordt, wordt het volume groter."

2. Formule

V = z³

3. Tabel

z (cm)1234
V (cm³)182764

4. Grafiek

De grafiek toont punten (z, V) op een assenstelsel.

2

Wat is een functie?

Niet elk verband is een functie!

Definitie

Definitie

Een functie is een verband tussen twee variabelen waarbij voor elke waarde van de onafhankelijke variabele hoogstens één waarde voor de afhankelijke variabele bestaat.

Denk er zo over: als je één x-waarde invult, krijg je maximaal één y-waarde terug. Krijg je er twee of meer? Dan is het geen functie.

De verticale-lijntest

Trek een denkbeeldige verticale lijn door elke x-waarde van de grafiek:

Wel een functie
Elke verticale lijn snijdt max. 1×

Geen functie
Verticale lijn snijdt 2×

💡
Ezelsbruggetje: Als een verticale lijn de grafiek op meer dan één punt snijdt, dan is het geen functie. Eén x-waarde mag immers niet twee y-waarden opleveren.
3

Functievoorschrift

De formule achter de functie

Notatie

Een functievoorschrift is de formule die het verband beschrijft als het een functie is.

f(x) = 2x + 4

f is de naam van de functie, x is de onafhankelijke variabele (invoerwaarde), en het deel rechts van het = teken is de rekenregel.

Functiewaarde berekenen

De functiewaarde is de uitkomst als je een getal invult voor x. Je vervangt x door het getal.

Uitgewerkt voorbeeld

Gegeven: f(x) = 2x + 4

Bereken f(0):

Vervang x door 0:   f(0) = 2 · 0 + 4
Bereken:   f(0) = 0 + 4 = 4

Bereken f(−7):

Vervang x door −7:   f(−7) = 2 · (−7) + 4
Bereken:   f(−7) = −14 + 4 = −10

Invoerwaarde berekenen

Soms ken je de functiewaarde en moet je de invoerwaarde (x) zoeken. Dan los je een vergelijking op.

Uitgewerkt voorbeeld

Gegeven: f(x) = 2x + 4.   Voor welke x is f(x) = 10?

Stel het functievoorschrift gelijk aan 10:   2x + 4 = 10
Trek 4 af van beide kanten:   2x = 6
Deel door 2:   x = 3

Dus f(3) = 10.

Snijpunten met de assen

Snijpunt met de x-as

Hier is y = 0 (of f(x) = 0). Los op naar x.

Snijpunt met de y-as

Hier is x = 0. Bereken f(0).

Uitgewerkt voorbeeld

f(x) = −2x + 9

Snijpunt x-as: −2x + 9 = 0 → −2x = −9 → x = 9/2 = 4,5 → Sx(4,5 ; 0)

Snijpunt y-as: f(0) = −2·0 + 9 = 9 → Sy(0 ; 9)

4

Domein en bereik

Welke waarden mag je invullen en welke komen eruit?

Definities

Domein

Het domein van een functie (dom f) is de verzameling van alle invoerwaarden (x-waarden) waarvoor de functie bestaat.

Bereik

Het bereik van een functie (ber f) is de verzameling van alle functiewaarden (y-waarden) die de functie kan aannemen.

Hoe lees je domein en bereik af van een grafiek?

Domein (x-as)

Kijk horizontaal: van de meest linkse tot de meest rechtse x-waarde op de grafiek.

Bereik (y-as)

Kijk verticaal: van de laagste tot de hoogste y-waarde op de grafiek.

💡
Let op open en gesloten punten!
Een gesloten punt (•) = de waarde hoort erbij → gebruik [ of ]
Een open punt (○) = de waarde hoort er niet bij → gebruik ] of [
Voorbeeld

Een grafiek loopt van x = −10 (gesloten punt) tot x = 0 (gesloten punt):

dom f = [−10 , 0]

De y-waarden lopen van −6 (gesloten) tot 4 (gesloten):

ber f = [−6 , 4]

Speciale gevallen

Als een grafiek oneindig doorloopt (bijv. een rechte lijn), gebruik je het symbool :

dom f = ℝ   of   ]−∞ , +∞[

Bijvoorbeeld bij f(x) = 2x + 4 mag je elke x-waarde invullen, dus het domein is heel ℝ.

5

Nulwaarden en nulpunten

Waar kruist de grafiek de x-as?

Definities

Nulwaarde

Een nulwaarde is een x-waarde waarvoor f(x) = 0. Het is de invoerwaarde bij het snijpunt met de x-as.

Nulpunt

Een nulpunt is het punt zelf op de grafiek: het coördinatenpaar (x, 0).

💡
Het verschil: een nulwaarde is een getal (bijv. x = 3), een nulpunt is een coördinaat (bijv. (3, 0)).

Nulwaarden berekenen

Stel f(x) = 0 en los op naar x.

Voorbeeld 1 – Lineair

f(t) = ⅔t + ⅚

⅔t + ⅚ = 0
⅔t = −⅚
t = −⅚ ÷ ⅔ = −⅚ · &frac32; = −&frac54;

Nulwaarde: −5/4
Nulpunt: (−5/4 , 0)

Voorbeeld 2 – Kwadratisch

g(x) = x² − 121

x² − 121 = 0
x² = 121
x = 11  of  x = −11

Nulwaarden: 11 en −11
Nulpunten: (11, 0) en (−11, 0)

6

Tekenschema

Waar is de functie positief, negatief of nul?

Wat is een tekenschema?

Een tekenschema geeft overzichtelijk weer waar de functiewaarden positief (+), negatief (−) of nul (0) zijn.

Regels

f(x) > 0 (positief) → grafiek ligt boven de x-as → noteer +
f(x) < 0 (negatief) → grafiek ligt onder de x-as → noteer
f(x) = 0 → grafiek snijdt of raakt de x-as → noteer 0

Hoe stel je een tekenschema op?

Bepaal het domein van de functie.
Zoek alle nulwaarden (waar f(x) = 0).
Verdeel de x-as in intervallen rond de nulwaarden.
Bepaal per interval of f(x) positief (+) of negatief (−) is (lees af van de grafiek of vul een testwaarde in).
Voorbeeld

Een functie g met domein ]−5, 6] en nulwaarde x = −3:

x]−5−36]
g(x)0++

Links van x = −3 is g(x) negatief (grafiek onder de x-as), rechts is g(x) positief (grafiek boven de x-as).

7

Verloop en extrema

Stijgen, dalen, en de hoogste en laagste punten

Stijgend, dalend en constant

Definities

Stijgend: als x groter wordt, wordt f(x) ook groter. De grafiek gaat omhoog (van links naar rechts). Noteer:
Dalend: als x groter wordt, wordt f(x) kleiner. De grafiek gaat omlaag. Noteer:
Constant: f(x) verandert niet als x verandert. De grafiek is een horizontale lijn.

Extrema (maximum en minimum)

Maximum

Een punt waar de functie van stijgend naar dalend gaat. De functiewaarde is er het grootst (lokaal).

Minimum

Een punt waar de functie van dalend naar stijgend gaat. De functiewaarde is er het kleinst (lokaal).

Het verloopschema

Een verloopschema combineert alles: het toont de x-waarden, de bijbehorende f(x)-waarden, en met pijlen of de functie stijgt (↗) of daalt (↘).

Voorbeeld

Een functie met dom f = [−7, 8]:

x−7−6−22468
f(x)819−352

Uit dit schema lezen we af: bij x = −6 is een lokaal maximum (f = 8), bij x = −2 een lokaal minimum (f = 1), enz. Het absoluut maximum is 9 (bij x = 2) en het absoluut minimum is −3 (bij x = 4).

8

Symmetrie

Spiegelingen herkennen

Twee soorten symmetrie

Symmetrie t.o.v. een verticale rechte

De grafiek is een spiegelbeeld links en rechts van een verticale lijn (de symmetrieas). Voorbeeld: f(x) = x² is symmetrisch t.o.v. de y-as.

Symmetrie t.o.v. de oorsprong

Een puntspiegeling rond het punt (0, 0). Als (a, b) op de grafiek ligt, dan ook (−a, −b). Voorbeeld: f(x) = x³.

💡
Niet elke functie heeft symmetrie! Veel functies hebben geen symmetrie, en dat is prima. Je noteert dan: "geen symmetrie".

Oefeningen

Eerst uitgelegd, dan zelf doen!

Oefening 1 — Functiewaarden berekenen

Gegeven: f(x) = 2x + 4

Zelf proberen

a) Bereken f(5) =

b) Bereken f(−3) =

c) Voor welke x is f(x) = 20?   x =

a) Vervang x door 5: f(5) = 2·5 + 4
b) Vervang x door −3: f(−3) = 2·(−3) + 4
c) Los op: 2x + 4 = 20 → 2x = 16 → x = ?

Oefening 2 — Functiewaarden met breuken

Gegeven: g(x) = 10/x

Zelf proberen

a) Bereken g(−2) =

b) Bereken g(1/2) =

c) Voor welke x is g(x) = −45?   x =

a) g(−2) = 10 / (−2)
b) g(1/2) = 10 / (1/2) = 10 · 2
c) 10/x = −45 → x = 10/(−45) = −2/9

Oefening 3 — Kwadratische functie

Gegeven: h(x) = x² − 2

Zelf proberen

a) Bereken h(6) =

b) Bereken h(−2/3) = (gebruik een breuk, bijv. −14/9)

c) Voor welke x is h(x) = −1?   x = (geef beide waarden, bijv. 1 of -1)

a) h(6) = 6² − 2 = 36 − 2
b) h(−2/3) = (−2/3)² − 2 = 4/9 − 2 = 4/9 − 18/9
c) x² − 2 = −1 → x² = 1 → x = ? (twee oplossingen!)

Oefening 4 — Tabel invullen

Gegeven: f(x) = ¼x + 2

Zelf proberen

Vul de ontbrekende waarden in:

x−9−57
f(x)15
Vul x in het voorschrift in om f(x) te vinden: f(−9) = ¼·(−9) + 2 = −9/4 + 2 = −1/4
Of als f(x) gegeven is, los x op: ¼x + 2 = 1 → ¼x = −1 → x = −4

Oefening 5 — Snijpunten met de assen

Gegeven: f(x) = −¼x − ⅔

Zelf proberen

a) Snijpunt met de x-as: Sx( , 0 )

b) Snijpunt met de y-as: Sy( 0 , )

a) Stel f(x) = 0: −¼x − ⅔ = 0 → −¼x = ⅔ → x = ⅔ · (−4) = −8/3
b) f(0) = −¼·0 − ⅔ = −2/3

Oefening 6 — Nulwaarden berekenen

Zelf proberen

a) f(x) = 3x − 15.   Nulwaarde: x =

b) g(x) = x² − 49.   Nulwaarden: x = en x =

c) h(x) = −4x + 10.   Nulwaarde: x =

Stel telkens f(x) = 0 en los op naar x.
a) 3x − 15 = 0 → 3x = 15
b) x² − 49 = 0 → x² = 49 (twee oplossingen!)
c) −4x + 10 = 0 → −4x = −10

Oefening 7 — Alles samen: analyseer f(x) = (x + 4)³

Zelf proberen

Bepaal voor f(x) = (x + 4)³:

a) Domein: dom f =

b) Bereik: ber f =

c) Nulwaarde: x =

d) Symmetrie:

a) Een derdemachtsfunctie kan elke x-waarde aan.
b) Een derdemachtsfunctie kan elke y-waarde bereiken.
c) (x + 4)³ = 0 → x + 4 = 0 → x = ?
d) (x + 4)³ is geen even of oneven functie rond de oorsprong, en er is geen spiegelas.

Oefening 8 — Toepassingsvraag: het papieren vliegtuig

Mia gooit een papieren vliegtuig vanop haar boomhut. De hoogte wordt beschreven door:
h(t) = −0,5t² + 2t + 4,2   (h in meter, t in seconden)

Zelf proberen

a) Op welke hoogte vertrekt het vliegtuig? m

b) Wat is de maximale hoogte? m

c) Wanneer bereikt het vliegtuig de max. hoogte? Na seconden

d) Na hoeveel seconden landt het vliegtuig? Na seconden

a) Op t = 0 vertrekt het vliegtuig. Bereken h(0).
b & c) De maximale hoogte is het toppunt van de parabool. De t-waarde van het toppunt: t = −b/(2a) = −2/(2·(−0,5)) = 2. Vul t = 2 in.
d) Het vliegtuig landt als h(t) = 0. Los −0,5t² + 2t + 4,2 = 0 op (discriminant!). Neem de positieve oplossing.