Hoofdstuk 4 — Machten, vierkantswortels, vergelijkingen en ongelijkheden
Definities en rekenregels voor machten met gehele exponenten en reële grondtallen (p. 72–74)
We vertrekken van de bekende definitie van een macht en breiden uit naar alle gehele exponenten.
Voor alle a ∈ ℝ en n ∈ ℕ0 :
53 = 5 · 5 · 5 = 125
(−2)4 = (−2)(−2)(−2)(−2) = 16
70 = 1 (√3)0 = 1 π0 = 1
3−2 = 1/32 = 1/9
Geldig voor alle a, b ∈ ℝ0 en m, s ∈ ℤ (gehele exponenten).
Exponenten optellen:
(√3)5 · (√3)−3 = (√3)5+(−3) = (√3)2 = 3
Exponenten aftrekken:
π7 / π4 = π7−4 = π3
Exponenten vermenigvuldigen:
((√2)3)5 = (√2)3·5 = (√2)15
De macht verdelen over de factoren:
(5 · π)2 = 52 · π2 = 25π2
De macht verdelen over teller en noemer:
(√6 / 3)2 = (√6)2 / 32 = 6/9 = 2/3
Rekenregels, vereenvoudigen en noemer wortelvrij maken (p. 75–79)
Voor alle a, b ∈ ℝ+ :
√160000 = √(16 · 10000) = √16 · √10000 = 4 · 100 = 400
√12 = √(4 · 3) = √4 · √3 = 2√3
Voor alle a ∈ ℝ+ en b ∈ ℝ0+ :
√(75/3) = √75 / √3 = √25 = 5
√(49/16) = √49 / √16 = 7/4
(√5)4 = √(54) = √625 = 25
(√2)6 = √(26) = √64 = 8
Vierkantswortels met hetzelfde grondtal kun je optellen en aftrekken, net als gelijksoortige termen:
√(a + b) ≠ √a + √b
De wortel van een som is NIET gelijk aan de som van de wortels!
√(64 + 36) = √100 = 10
√64 + √36 = 8 + 6 = 14
10 ≠ 14 → de regel geldt dus niet!
Breng factoren die een volkomen kwadraat zijn buiten het wortelteken.
√75 = √(25 · 3) = √25 · √3 = 5√3
√200 = √(100 · 2) = √100 · √2 = 10√2
√(12a9b6) = √(4 · 3 · a8 · a · b6)
= √4 · √(a8) · √(b6) · √(3a)
= 2a4b3√(3a)
Om een wortel uit de noemer te verwijderen, vermenigvuldig je teller en noemer met diezelfde wortel.
Vermenigvuldig teller en noemer met √(noemer) zodat de wortel in de noemer verdwijnt.
9 / √3
= (9 · √3) / (√3 · √3)
= 9√3 / 3
= 3√3
√(7/18) = √7 / √18 = √7 / (3√2)
= (√7 · √2) / (3√2 · √2)
= √14 / (3 · 2)
= √14 / 6
Vergelijkingen, bijzondere gevallen, vraagstukken en formules omvormen (p. 80–85)
Een eerstegraadsvergelijking met één onbekende heeft de vorm:
Deze vergelijking heeft precies één oplossing: x = −b/a
Los de vergelijking op in 3 stappen:
−x + √2 = 5√2 − (4/3)x − 2√2
Stap 1: Vereenvoudig het rechterlid
−x + √2 = 3√2 − (4/3)x
Stap 2: Breng x-termen naar links, constanten naar rechts
−x + (4/3)x = 3√2 − √2
(1/3)x = 2√2
Stap 3: Deel door 1/3 (= vermenigvuldig met 3)
x = 6√2
V = {6√2}
Wat als de coëfficiënt van x wegvalt (a = 0)?
0x = b (met b ≠ 0) → geen oplossing
2x − 7 = 2(x + 12)
2x − 7 = 2x + 24
0x = 31
Geen enkel getal voldoet! → V = { } = ∅
0x = 0 → oneindig veel oplossingen
2(9 − 3x) = 6 − 3(x − 4) − 3x
18 − 6x = 6 − 3x + 12 − 3x
18 − 6x = 18 − 6x
0x = 0
Elk reëel getal is een oplossing! → V = ℝ
Bij mx = 5 hangt de oplossing af van de waarde van m:
Vertaal een woordprobleem naar een vergelijking in 5 stappen:
Lode is 18 jaar en zijn papa Jean is 48 jaar. Over hoeveel jaar is Jean dubbel zo oud als Lode?
Stap 1: Stel t = het aantal jaar dat we zoeken
Stap 2: Over t jaar is Lode (18 + t) en Jean (48 + t) jaar oud
Stap 3: Vergelijking: 48 + t = 2(18 + t)
Stap 4: 48 + t = 36 + 2t → 12 = t → t = 12
Stap 5: Over 12 jaar is Jean dubbel zo oud als Lode. (Jean: 60 jaar, Lode: 30 jaar)
Je kunt een formule herschrijven zodat een andere variabele geïsoleerd staat.
Zet de gewenste variabele links en isoleer met de balansmethode.
Gegeven: p = 0,002d + 25 (druk in functie van diepte)
Gevraagd: schrijf d in functie van p
p − 25 = 0,002d
d = (p − 25) / 0,002
d = (p − 25) / 0,002
Eigenschappen, oplossingsmethode en intervalnotatie (p. 86–89)
Ongelijkheidstekens: < , ≤ , > , ≥
Dezelfde zin = hetzelfde teken behouden. Tegengestelde zin = teken omdraaien.
Bij optelling of aftrekking blijft de ongelijkheid behouden:
Bij vermenigvuldiging met een positief getal (c > 0) blijft de ongelijkheid behouden:
Bij vermenigvuldiging (of deling) met een negatief getal (c < 0) draait het ongelijkheidsteken om:
3 < 5 → vermenigvuldig met −2:
3 · (−2) > 5 · (−2)
−6 > −10 ✓ (klopt!)
ax + b < 0 (of >, ≤, ≥) met a ∈ ℝ0 en b ∈ ℝ
De oplossingenverzameling V is de verzameling van alle x-waarden die de ongelijkheid waar maken.
Los op in 4 stappen:
7x + 3 ≥ 24
7x ≥ 21
x ≥ 3
V = [3, +∞[
−½(x − 10) ≤ 7/4
−½x + 5 ≤ 7/4
−½x ≤ 7/4 − 5
−½x ≤ −13/4
Vermenigvuldig met −2 → teken draait om!
x ≥ 13/2
V = [13/2, +∞[
De oplossingenverzameling schrijven we als een interval:
● gesloten bolletje = het getal hoort erbij (≤ of ≥)
○ open bolletje = het getal hoort er niet bij (< of >)
Vul je antwoord in en krijg stap-voor-stap feedback (reeks 1 + reeks 2-3)
| Machten: | typ 3^2 voor 3² of typ gewoon het resultaat: 9 |
| Wortels: | typ 6V2 of 6sqrt2 voor 6√2 |
| Pi: | typ pi voor π |
| Breuken: | typ 1/4 of 0.25 |
| Intervallen: | typ x > 3 of ]3, +inf[ |
0 / 15 beantwoord