← Terug naar 📐 overzicht

Beschrijvende statistiek

Interactieve cursus Wiskunde — 3de jaar (5u) | Sint-Jozefsinstituut College Torhout

1. Algemene begrippen

Wat is statistiek, en welke woordenschat heb je nodig?

Wat is statistiek?

Statistiek is de wetenschap en techniek van het verzamelen, bewerken, interpreteren en presenteren van gegevens. Met cijfers, grafieken en tabellen krijg je inzicht in een grote groep mensen, dieren of voorwerpen.

De 3 stappen — en de twee soorten statistiek

1. Gegevens verzamelen

Een onderzoek opstarten: enquête, meten, tellen, kijken…

2. Gegevens ordenen

De resultaten beschrijven en voorstellen in tabellen en grafieken.

3. Gegevens interpreteren

Een juist besluit trekken uit het onderzoek.

Beschrijvende statistiek

Slaat op stap 1 en 2: gegevens verzamelen en ordenen. Dit hoofdstuk gaat hierover.

Verklarende statistiek

Slaat op stap 3: besluiten trekken. Hiervoor heb je de kansrekening nodig.

Weetje: STATBEL is het Belgische statistiekbureau. Het verzamelt en verspreidt betrouwbare cijfers over de Belgische economie en samenleving (statbel.fgov.be).

Populatie, steekproef en variabele

Populatie = de volledige verzameling personen, dieren of objecten waarvan je een kenmerk wil onderzoeken.

Steekproef = het deel van de populatie waarvoor je de waarnemingen echt uitvoert.

Variabele = het kenmerk dat je nagaat. De variabele krijgt waarden (of waarnemingsgetallen).

Voorbeeld — hoe komen leerlingen naar school?

Soorten variabelen

Je deelt variabelen eerst in twee groepen, en die elk nog eens in twee:

Soorten variabelen

Kwantitatief

Variabelen waarmee je kunt rekenen (getallen)

Discreet
telling — bv. aantal zussen
Continu
meting — bv. lengte, volume

Kwalitatief

Variabelen waarmee je niet kunt rekenen (eigenschap/naam)

Nominaal
geen rangorde — bv. kleur, merk
Ordinaal
wel rangorde — bv. legerrang, score 1–5
Test jezelf: "de reactietijd op een prikkel" = tik om te tonen  ·  "het beroep van een volwassene" = tik om te tonen  ·  "het aantal huisdieren" = tik om te tonen
⚠️ Toetsval — nominaal vs ordinaal. De twee klassiekers die fout gaan: "In welke mate ben je akkoord met …?" is ordinaal (er zit rangorde in de antwoorden), terwijl "Welke wereldkeuken / kleur heeft je voorkeur?" nominaal is (geen rangorde). Vuistregel: mate / rang / niveau → ordinaal; soort / voorkeur / kleur / merk → nominaal.
En "zo nauwkeurig mogelijk" betekent: noteer altijd beide niveaus (bv. kwantitatief discreet), niet enkel "discreet" — anders verlies je een halve punt.

2. Gegevens ordenen

Frequentietabellen en grafische voorstellingen.

Frequentietabel: af, rf en rf%

Absolute frequentie (afi of ni) = het aantal waarnemingen gelijk aan die waarde.

Relatieve frequentie rfi = afi / n  (n = steekproefgrootte). De som van alle rfi is 1.

Relatieve frequentie in % = rfi · 100. De som is 100%.

Voorbeeld: 35 leerlingen, vervoermiddel geteld (turven):

Variabele (xi)afirfirfi %
fiets120,342934,3 %
bus80,228622,9 %
trein50,142914,3 %
auto40,114311,4 %
te voet60,171417,1 %
n351100 %

Grafische voorstellingen (kwalitatief)

Staafdiagram

De absolute frequenties als staafjes.

Patrick Sanne Daan Sofie €5 €0

Schijfdiagram

Relatieve frequenties als cirkelsectoren.

katten 44% honden 32% knaagd. 16% overige 8%

Strookdiagram

Relatieve frequenties als rechthoeken naast elkaar.

35% 14% 42% wielrennen · zwemmen · lopen · voetbal · basket

Kwantitatief ordenen: cumulatieve frequenties

Cumulatieve absolute frequentie (cafi) = som van alle af van de waarden kleiner dan of gelijk aan die waarde. Je telt dus van boven naar onder op.

Cumulatieve relatieve frequentie (crfi) = cafi / n.

Met de caf beantwoord je snel vragen als "hoeveel leerlingen halen 4 of minder?" of "hoeveel % haalt minstens 7?" — je leest het gewoon af in de cumulatieve kolom.
xiaficaficrfi %
5252519,2 %
10295441,5 %
154610076,9 %
202212293,8 %
258130100 %

Lees af: 100 waarnemingen zijn ≤ 15. Dus 100 personen antwoordden 5, 10 of 15.

⚠️ Toetsval — "precies" of "cumulatief"? Bij "hoeveel % heeft 1 of 2 …?" tel je enkel die categorieën op (rf1 + rf2). De cumulatieve kolom (crf) gebruik je alleen bij "ten hoogste / minstens / X of minder". Op de toets kostte het gebruiken van crf (die ook de 0-categorie meetelt) voor "1 of 2" een punt.

3. Centrummaten

Eén getal dat ongeveer "het midden" van de gegevens aangeeft: gemiddelde, modus en mediaan.

Het (rekenkundig) gemiddelde x̄

Losse getallen

x̄ = (x1 + x2 + … + xn) / n

Uit een frequentietabel

x̄ = (n1x1 + n2x2 + … + npxp) / n = (Σ xi·ni) / n

Let op: bij een frequentietabel deel je door n (de som van de frequenties), niet door het aantal verschillende waarden!

De modus (Mo)

Het waarnemingsgetal met de grootste absolute frequentie (komt het vaakst voor).

Twee toppen = bimodaal. Vanaf 3 toppen spreek je niet meer van een modus. De modus wordt niet beïnvloed door uitschieters.

De mediaan (Me)

Rangschik van klein naar groot; de mediaan is de middelste waarde. 50% ligt eronder, 50% erboven.

Minder gevoelig voor uitschieters dan het gemiddelde.

Mediaan stap voor stap

  1. Sorteer de waarnemingsgetallen van klein naar groot.
  2. Bereken het rangnummer van de mediaan = (n + 1) / 2.
  3. Is het rangnummer een natuurlijk getal? Dan is Me het getal op die plaats.
  4. Is het rangnummer een kommagetal (bv. 10,5)? Dan is Me het gemiddelde van de twee buren (plaats 10 en 11).

Oneven n (n = 19)

rangnummer = (19+1)/2 = 10 → Me = de 10de waarde = 25°

Even n (n = 20)

rangnummer = (20+1)/2 = 10,5 → Me = (waarde 10 + waarde 11)/2 = (25°+30°)/2 = 27,5°

De kwartielen Q1, Q2, Q3 (geen centrummaat)

De drie kwartielen verdelen de geordende rij in vier even grote delen.

Q1

Mediaan van de eerste helft. 25% ligt eronder.

Q2 = Me

De mediaan zelf. 50% ligt eronder.

Q3

Mediaan van de tweede helft. 75% ligt eronder.

Bij een oneven aantal waarnemingsgetallen reken je Q1 en Q3 inclusief de mediaan mee in elke helft.
⚠️ Toetsval — toon je werkwijze. Bij mediaan, Q1 en Q3 verlies je punten als je enkel het antwoord opschrijft, ook al klopt het. Noteer altijd het rangnummer (n+1)/2 en welke waarde(n) je daar afleest (gebruik de caf-kolom). Gum je tussenstappen nooit uit — juist eindantwoord zónder werkwijze gaf op de toets −0,5 per onderdeel.

Interactief: het gemiddelde is gevoelig voor uitschieters

Sleep de uitschieter en bekijk hoe het gemiddelde meebeweegt, terwijl de mediaan bijna stabiel blijft. Precies daarom kiest men bij scheve data vaak de mediaan.

Gemiddelde x̄ =
Mediaan Me =

Vaste waarden: 4, 5, 6, 6, 7, 8 — plus één verschuifbare waarde.

4. Spreidingsmaten

Centrummaten alleen volstaan niet. Twee reeksen kunnen hetzelfde gemiddelde hebben maar heel anders gespreid zijn.

Twee voetbalploegen scoren gemiddeld 1,97 doelpunten met mediaan en modus = 2. Toch ligt ploeg A dicht rond het gemiddelde gegroepeerd en is ploeg B veel meer verspreid. Een spreidingsmaat maakt dat verschil zichtbaar.

Variatiebreedte R

R = max − min

Heel ruw: gebruikt enkel de twee uiterste waarden.

Interkwartielafstand IKA

IKA = Q3 − Q1

Spreiding van de middelste 50%. Ongevoelig voor uitschieters.

Variantie σ² en standaardafwijking σ

De variantie meet hoe sterk de getallen rond het gemiddelde gespreid liggen: het gemiddelde van de kwadratische afwijkingen.

Losse getallen

σ² = [ (x1−x̄)² + (x2−x̄)² + … + (xn−x̄)² ] / n

Uit een frequentietabel

σ² = [ n1(x1−x̄)² + … + np(xp−x̄)² ] / n

Standaardafwijking

σ = √σ²

Uitgewerkt voorbeeld — frieten eten (1, 3, 3, 4, 6, 7)

1. Gemiddelde: x̄ = (1+3+3+4+6+7)/6 = 4,0

2. Afwijkingen t.o.v. 4: −3, −1, −1, 0, 2, 3

3. Kwadraten: 9, 1, 1, 0, 4, 9

4. Variantie: σ² = (9+1+1+0+4+9)/6 = 24/6 = 4,0

5. Standaardafwijking: σ = √4 = 2,0

Interpretatie: hoe groter de standaardafwijking, hoe meer de gegevens verspreid liggen rond het gemiddelde. Een kleine σ betekent dat de getallen dicht bij het gemiddelde liggen.

5. Boxplot

Een grafische voorstelling van de 7 kengetallen — ideaal om steekproeven te vergelijken.

Een boxplot toont samen: het minimum, Q1, de mediaan (Q2), Q3 en het maximum (en dus ook variatiebreedte en IKA). Elk van de vier stukken bevat 25% van de gegevens.

MinQ1MeQ3Max 25%25%25%25% IKA = Q3 − Q1 (middelste 50%)

Een boxplot tekenen

  1. Teken een schaal met alle waarden van de variabele.
  2. Teken een rechthoek van Q1 tot Q3. De mediaan = een verticaal streepje in de rechthoek.
  3. Trek aan beide zijden lijnstukken (de "snorharen") tot het minimum en maximum.
  4. Teken eventueel een sterretje ter hoogte van het gemiddelde.
Examen-klassieker: "Hoeveel % zit boven Q1?" → 75%. "Hoeveel % zit tussen Q1 en Q3?" → 50%. Werk altijd met de 25%-stukken!
⚠️ Toetsval — aantal of procent? Lees of er "hoeveel procent" staat (→ antwoord in %) of "hoeveel leerlingen" (→ een getal). Bij een aantal reken je het percentage óm: aantal = % · n. Bv. 75% van 20 leerlingen = 15 leerlingen — niet "75%".

6. Verdelingen & misleidende grafieken

Vorm van de verdeling, uitschieters, clusters en hoe grafieken je kunnen bedriegen.

Symmetrische en scheve (asymmetrische) verdelingen

Symmetrisch

Mediaan ≈ gemiddelde, beide in het midden.

Rechtsscheef

Staart rechts. Gemiddelde ligt aan de kant van de staart (rechts van de mediaan).

Linksscheef

Staart links. Gemiddelde ligt aan de kant van de staart (links van de mediaan).

⚠️ Toetsval — kijk naar de STAART, niet de top. De naam volgt de staart: staart links = linksscheef, staart rechts = rechtsscheef — ook al ligt de top dan aan de andere kant. Een grafiek met de top rechts (bv. rond 40) en een lange staart naar links is dus linksscheef. Het gemiddelde ligt aan de kant van de staart, dus links van de top/mediaan (lager dan de top).

Uitschieters

Gegevens die ver van de rest liggen. Gevolg van een fout (bv. defect materiaal) of van een uitzonderlijke situatie. Goed zichtbaar in een grafiek.

Clusters

Een groep elementen met één of meer dezelfde kenmerken. Bij clusters hebben gemiddelde en mediaan weinig betekenis.

Misleidende grafieken

1. Verticale as begint niet bij 0

Hetzelfde verschil (50% → 43%) lijkt links veel groter dan rechts, puur door de afgeknotte as.

As vanaf 38% (misleidend) 2009 2010 As vanaf 0% (correct) 2009 2010

2. Cherrypicking

Punten op de horizontale as weglaten zodat een grillig verloop een nette stijging lijkt. Een tijdas moet een gelijkmatig interval hebben zonder ontbrekende punten.

3. Niet-chronologische tijdas

Jaartallen door elkaar (2005, 2010, 2020, 2000, 2015) wekken een verkeerde indruk. De tijd moet chronologisch en in gelijke stappen staan.

7. Bivariate beschrijvende statistiek

Twee variabelen tegelijk: bestaat er een verband? Spreidingsdiagram, regressierechte en correlatiecoëfficiënt.

Tot nu bekeken we één variabele. Nu vergelijken we er twee binnen dezelfde steekproef (bv. wiskunde- én Frans-resultaat per leerling). Daarom werken we met een ongeordende tabel: elke rij = één proefpersoon.

Spreidingsdiagram (puntenwolk)

Elke meting wordt een punt (x, y). De verzameling punten heet de puntenwolk. Hieruit lees je het soort verband af.

Positieve correlatie

Grote x ↔ grote y. Stijgende trendlijn.

Negatieve correlatie

Grote x ↔ kleine y. Dalende trendlijn.

Regressierechte (= trendlijn) en correlatiecoëfficiënt r

De regressierechte (trendlijn, y = ax + b) is de rechte die de puntenwolk het best benadert. Je gebruikt ze voor voorspellingen.

De richting volgt uit de rico a: positieve a → stijgend (positief verband), negatieve a → dalend (negatief verband).

De sterkte hangt af van hoe dicht de punten op de rechte liggen.

Correlatiecoëfficiënt r

−1 ≤ r ≤ 1. Hoe dichter |r| bij 1, hoe sterker het lineair verband. Hoe dichter bij 0, hoe zwakker. (Bereken je met Excel.)

rBetekenis
r = 1Perfecte positieve correlatie
r ≈ 0,8Sterke positieve correlatie
r ≈ 0,3Zwakke positieve correlatie
r = 0Geen lineair verband
r ≈ −0,3Zwakke negatieve correlatie
r ≈ −0,8Sterke negatieve correlatie
r = −1Perfecte negatieve correlatie
Twee examen-instinkers:
· Draai je x en y om op de assen? Dan blijft r exact gelijk.
· De correlatiecoëfficiënt is gevoelig voor uitschieters: één uitschieter kan r sterk doen dalen of stijgen.

Oefeningen: Statistiek

Test je kennis met een interactieve quiz over het hele hoofdstuk.

0 / 0 beantwoord

Spiekbriefje — alle formules op één A4

Centrummaten, spreidingsmaten, boxplot en correlatie in kleurcode, met de grootste examen-instinkers. Print en leg naast je rekenmachine.

📋 Formuleblad (1 A4)

Alle formules per onderdeel, met de stappen voor mediaan, kwartielen en boxplot.

PDF (1 pagina) — printbaar A4

Proefexamens

Print de PDF's hieronder en laat je dochter zelfstandig werken (50 min). Het oplossingenblad voor de ouder bevat de volledige uitwerking + socratische hulpvragen om bij te sturen zonder het antwoord weg te geven.

Proefexamen 1 — volledig hoofdstuk

📝 Proefexamen voor de leerling

10 vragen · 40 punten · 50 min
Frequentietabellen, centrum- & spreidingsmaten, boxplot, correlatie.

PDF — printbaar A4

👨‍👧 Oplossingenblad voor de ouder

Score-overzicht, volledige uitwerking per vraag, socratische hulpvragen + veelgemaakte fouten.

PDF — print enkel als je hulp nodig hebt

Proefexamen 2 — extra nadruk op de zwakke plekken 🎯

Zelfde stof, maar met meer gewicht op soort variabele (nominaal/ordinaal), scheve verdelingen vanaf een grafiek, “precies vs cumulatief” en “aantal vs procent”.

📝 Proefexamen 2 voor de leerling

10 vragen · 40 punten · 50 min
Met o.a. een linksscheve grafiek, een nominaal/ordinaal-tabel en precies-vs-cumulatief vragen.

PDF — printbaar A4

👨‍👧 Oplossingenblad 2 voor de ouder

Score-overzicht, volledige uitwerking per vraag, socratische hulpvragen + veelgemaakte fouten.

PDF — print enkel als je hulp nodig hebt

Overzichtstabel symbolen

BegripSymboolFormule / betekenis
Absolute frequentieafi / niaantal keer dat een waarde voorkomt
Relatieve frequentierfiafi / n
Cumul. absolute freq.cafisom van af tot en met die waarde
Gemiddelde(Σ xi·ni) / n
ModusMowaarde met grootste af
MediaanMemiddelste waarde (rangnummer (n+1)/2)
KwartielenQ1, Q2, Q3verdelen in 4 gelijke delen
VariatiebreedteRmax − min
InterkwartielafstandIKAQ3 − Q1
Variantieσ²gemiddelde van kwadratische afwijkingen
Standaardafwijkingσ√σ²
Correlatiecoëfficiëntr−1 ≤ r ≤ 1 (sterkte lineair verband)
Gemaakt met zorg voor de wiskunde-studie — beschrijvende statistiek